Groep 4 – spelling


Woordpakket 6

Woordpakket 6 ijs: Bijbel, blijk, gelijk, gordijn, grijs, ijver, ijzer, kwijt, opzij, partij, pijn, pijp, prijs, rijk, rijtuig, spijt, voorbij, vrij, wijk hout: hout, jou, kou, koude, nou, oude, ouder, zout touw: bouw, gebouw, jouw, mouw, touw, trouw, vrouw bezoek: bedrag, bedrij...

Woordpakket 4

Hoofdstuk 4 tong: angst, ingang, kring, langs, slang, sprong, streng, wang, bank: dankbaar, drank, klank, links, pink jaar: daarom, kaars, kaart, klaar, laars, snaar, spaarpot, staart, zwaar heer: alweer, eer, eerst, zeer oor: daarvoor, kantoor, koorts, oorlog, vooraan, voordeel,...

Woordpakket 2

  Hoofdstuk 2 straat: spreek, straf, strak, straks, streek, stroom, struik wolf: elf, half balk: kelk, volk, welk tulp: hulp erf: slurf, turf dwerg: zorg jurk: park, sterk berm: vorm, warm doorn: kern dorp: harp fluit: feest, fijn, film, fles, flink, fors, fris, fruit vis: v...

Webdevelopment: ONMEDIA