Groep 4 – spelling


Woordpakket 1

Hoofdstuk 1 klas: blik, bloem, breuk, brief, bril, broek, broer, bron, brug, bruin, glas, greep, groen, groep, groet, klap, klok, knal, knie, knoop, knop, kraan, kreet, kruis, kruk, plan, plas, plus, prik, proef, traag, trap, troon tent: als, bont, heks, kans, koers, lamp, lift, ...

Webdevelopment: ONMEDIA