Groep 4 – spelling


hoofdstuk 9

Met spelling zijn we bij hoofdstuk 9: woorden met eind-d of midden-d die klinkt als t (hond) woorden met open lettergreep in het midden (jager) meervouden met open lettergreep (apen) woorden met verdubbeling van de medeklinker (bakker)   hond: armband, geld, goedkoop, hemd, ...

Hoofdstuk 8

Hoofdstuk 8 hond: bad, bed, blad, blind, bloed, blond, boord, brand, breed, bruid, daar, draad, grond, haard, hand, hoofd, koud, land, strand, wond, zand, zwaard dokter: ander, anders, dokter, helder, herder, kasteel, mantel, meester, minder, monster, morgen, onder, persoon, vreu...

Woordpakket 7

slee: daarmee, ermee, fee, mee, nee, ree, slee, snee, tree, twee, vee huisje: boekje, bootje, briefje, dorpje, drankje, grapje, huisje, ijsje, kaarsje, kaartje, kruisje, neefje, pakje, poosje, potje, zusje boompje: armpje, boompje, bloempje, duimpje, filmpje, kraampje, raampje, r...

Woordpakket 6

Woordpakket 6 ijs: Bijbel, blijk, gelijk, gordijn, grijs, ijver, ijzer, kwijt, opzij, partij, pijn, pijp, prijs, rijk, rijtuig, spijt, voorbij, vrij, wijk hout: hout, jou, kou, koude, nou, oude, ouder, zout touw: bouw, gebouw, jouw, mouw, touw, trouw, vrouw bezoek: bedrag, bedrij...

Woordpakket 4

Hoofdstuk 4 tong: angst, ingang, kring, langs, slang, sprong, streng, wang, bank: dankbaar, drank, klank, links, pink jaar: daarom, kaars, kaart, klaar, laars, snaar, spaarpot, staart, zwaar heer: alweer, eer, eerst, zeer oor: daarvoor, kantoor, koorts, oorlog, vooraan, voordeel,...

Woordpakket 2

  Hoofdstuk 2 straat: spreek, straf, strak, straks, streek, stroom, struik wolf: elf, half balk: kelk, volk, welk tulp: hulp erf: slurf, turf dwerg: zorg jurk: park, sterk berm: vorm, warm doorn: kern dorp: harp fluit: feest, fijn, film, fles, flink, fors, fris, fruit vis: v...

Webdevelopment: ONMEDIA